| [vheissu] | [artikels] | [biblio] | [bio] | [misc] |
"God Will Give Him Blood To Drink"
Deze vervloeking wordt uitgesproken door Matthew Maule in Nathaniel Hawthorne's roman 'The House of Seven Gables' (1851). En de vloek wordt uitgesproken over de familie Pyncheon. Inderdaad, de kolonel Pyncheon waarvan sprake zal inderdaad stikken in zijn eigen bloed. Reden hiervoor (in de roman) was dat Pyncheon een huis wilde bouwen op de grond van Maule. Pyncheon laat Maule veroordelen voor hekserij en voert zijn wil door: hij bouwt het huis uit de titel, en de vervloeking gaat verschillende generaties voort. De beschrijving van de sinistere Judge Pyncheon is weergaloos.
Er bestond in elk geval, volgens Hawthorne's zoon Julian, een Thomas Maule die een koppig kereltje was in het Salem van 1669. En de vervloeking werd werkelijk uitgesproken, zij het onder andere omstandigheden en over andere personen. Om maar te zeggen: Hawthorne deed zijn research zorgvuldig en was een groot kenner van Salem en omstreken in de periode twee eeuwen eerder. Daarover bestaat geen enkele twijfel. De publicatie van deze gothic novel was een groot succes, waarvan Hawthorne werkelijk genoot. Totdat hij een brief in de bus kreeg van Thomas Ruggles Pynchon. Hierover lichtte hij zijn uitgever in, voor de eerste keer in een brief van 23 mei 1851.
"Nooit had ik verwacht dat dit (boek) zo populair zou worden; zelf vind ik het beter dan 'The Scarlet Letter' (deze stalen pen schrijft verschrikkelijk). Een zekere . . ., Esq., uit Boston, heeft me geschreven: hij bekloeg zich erover dat ik zijn grootvader bekladde! Blijkt dat er werkelijk een familie Pyncheon (of Pynchon, zoals hij het spelt) in Salem woonde en dat een lid ervan tijdens de Revolutie een zekere Rechter Pynchon was, verdediger van de Britse kroon, en op de vlucht. Dat was de grootvader van deze heer, en (zo althans beschrijft hij hem keurig), een man van onbesproken reputatie. Verschillende omschrijvingen in mijn relaas over de Pyncheons maken het aannemelijk, zegt hij, dat ik net zijn familie voor ogen had; hij vindt dat hemzelf heel wat onrecht aangedaan wordt en is gebelgd. Hij vindt het meer dan laakbaar dat het de 'deugdzame doden' ontzegd kan worden in hun graf te blijven rusten. Verder beklaagt hij zich erover dat ik zonder respect spreek over de Pyncheons in de Stoel van Grootvader. Het is meer met droefheid dan met woede dat hij schrijft, hoewel er van de laatste hoedanigheid wel genoeg voorhanden is om zijn brief een zekere scherpte te geven."
"De grap is eigenlijk dat ik nooit van zijn grootvader gehoord heb, noch ooit geweten heb van welke Pyncheons dan ook die in Salem leefden; ik had die naam gekozen omdat het me leek te passen bij de toon van het boek, en omdat die me in dezelfde mate toebehoorde voorzover het mijn fictie paste als die van Smith. Ik heb de man gekalmeerd via een zeer beleefde en keurige brief. En mocht je ooit de Seven Gables opnieuw uitgeven zou ik een kort voorwoord willen schrijven om mijn spijt voor dit onbedoeld kwaad te betonen, en dit als best mogelijke verontschuldiging; anders zullen deze stakkers van een oude Pyncheons geen rust meer kennen in de andere wereld, noch in deze. Bovendien woont er op zo'n vier mijlen van me een eerwaarde heer TRP, die een neef is van de heer . . . , en eveneens stelt hogelijk verontwaardigd te zijn. Wie kon gedacht hebben dat een erfenis als het Huis met Zeven Gevels zo'n eisers zou kennen!"
Het zaakje moet Hawthorne toch enige kopzorgen gegeven. Op 5 juni schrijft hij opnieuw een briefje naar zijn uitgever:
"Zonet heb ik een brief ontvangen van nog iemand die aanspraak maakt op het goed van Pyncheon. Ik vraag me af of ik ooit, en wanneer, bij benadering zal weten hoeveel ezels er in deze belachelijke wereld rondlopen. De afzender schat, tussen haakjes, het aantal Pyncheon-ezels op twintig; zonder enige twijfel moet me dat verweten worden door iedereen apart. Wanneer ik hen allemaal snedige briefjes geschreven heb, zal ik jou de volledige correspondentie (erover) laten uitgeven, in een stijl vergelijkbaar met mijn andere werk. Ik verwacht dat de bundel flink wat succes zal kennen."
"P.S. De laatste briefschrijver eist dat de familienaam vervangen wordt door een andere; waarmee ik akkoord ga, op voorwaarde dat de uitgever ertoe kan gebracht worden alle drukplaten te wijzigen."
De uitgever weigerde. Het boek kende een groot succes en moest herdrukt worden. Op 18 augustus 1851 schreef Hawthorne zijn uitgever opnieuw:
"Je gaat nog eens duizend exemplaren van de Zeven Gevels drukken. Ik heb die Pyncheons een voorwoord beloofd. Wat denk je van het volgende:
"(Tot zijn grote spijt kwam het de auteur ter ore dat, door het uitkiezen van een naam voor de fictieve bewoners van een luchtkasteel, hij de gevoelens van meer dan één respectabele afstammeling van de oude Pyncheon familie heeft gekwetst. Hij vraagt de toestemming om te zeggen dat hij geenszins doelde op een individu met die naam, nu of vroeger; en verder, dat hij tijdens het schrijven van dit boek, helemaal niet op de hoogte was van het bestaan van zulk een familie in New England, tweehonderd jaar geleden, en dat wat hij er sindsdien over bijgeleerd heeft, geheel in hun voordeel spreekt.)"
"Voeg het toe of niet, zoals je zelf wilt. Wat mij betreft is het gedaan."
Het voorwoord werd nooit ingelast, op advies van de uitgever.
| [^] | [over] |