| [vheissu] | [artikels] | [biblio] | [bio] | [misc] |
Engeland, begin zeventiende eeuw: de grillige politiek van Karel I maakte het moeilijk voor wie zich niet schikte naar de regels van de Engelse Staatskerk. Zo voerde hij speciale belastingen in voor wie een andere religie boven het anglicanisme prefereerde. Zowel anabaptisten, quakers als anderen kregen het moeilijk. Dat zette een aantal protestantse dissidenten ertoe aan uit te wijken naar het toen nog nauwelijks gekoloniseerde oosten van de Nieuwe Wereld. Een eerste motief om te emigreren was dus het vrij beoefenen van godsdienst. Ook de moeilijke economische omstandigheden rond 1629 brak er een crisis uit speelden een belangrijke rol. Religie en handel staken hand in hand de oceaan over.
Deze twee motieven kwamen samen in het Cambridge Agreement van 1629: een aantal puriteinen sloot een overeenkomst waarin werd bepaald dat men voor 1 maart 1630 uit Engeland zou vertrekken; van die dag af zou elke contractant een bedrag van 3 £ per dag uitstel betalen. De koning gaf toestemming voor het oprichten van de Massachusetts Bay Colony, in een nauwkeurig omschreven charter van 20 oktober 1629. Het initiatief voor deze maatschappij kwam o.a. van John Winthrop (1588-1649). Deze was één van de slachtoffers van de recente politiek (hoewel 'slachtoffer' bijzonder relatief is). Hij was een edelman die van 1627 tot 1629 een officiële functie bekleedde aan het hof en zijn inkomsten haalde uit zijn landgoed. Al vroeg bezig met bijbelstudie werd hij een volbloed puritein, die ervan overtuigd was dat god hem uitgekozen had tot heiligheid, en wiens mentaliteit misschien het beste tot uiting komt in de uitspraak 'the life which is most exercised with tryalls and temptations is the sweetest, and will prove the safeste.' Het mag duidelijk zijn dat de emigranten geenszins arm of onontwikkeld waren.
Eén van hen was William Pynchon (in de stichtingsacte wordt zijn naam 'Pinchion' gespeld), een 'gentleman of learning and religion'. Deze man was geboren op 26 december (andere bronnen vermelden 11 oktober) 1590 in Springfield, Essex als zoon van John Pynchon en Frances Brett. Hij huwde Anna Agnes Andrew of Andrews en op het ogenblik van zijn vertrek naar de Nieuwe Wereld was hij de vader van één zoon, John (1626-1702), en drie dochters, Mary (1622-1657), Margaret (1623, Dorchester (Engeland) - 1653, Bristol, Ma) en Anne (1630-1681/1682, Wraysbury, Buckinghamshire, England). De jonge John bleef voorlopig achter, de vrouwen gingen allen mee. William Pynchon, niet onbemiddeld en aandeelhouder van de Massachusetts Bay Colony, was de man die voor de nodige wapens moest zorgen, terwijl John Winthrop schepen zocht. Op 29 maart 1630 vertrok een eerste flottielje. Daarbij ook William Pynchon.
In de loop van de maanden juni en en juli van dat jaar kwamen de in totaal 11 schepen aan in Boston of Salem. Eén derde van de opvarenden was tijdens de overtocht bezweken. Ze werden later door de overlevenden beschouwd als martelaars van hun geloof. Daarenboven was de helft van hun koeien, en bijna al hun paarden en geiten omgekomen. Eerst koos men ervoor zich te vestigen in Dorchester, iets buiten Boston. Daar bleef men niet lang.
![]() |
Twee mijl ten zuiden van Boston werd de nederzetting Roxbury opgericht (Roxbury maakt vandaag deel uit van Boston). De reden dat de nieuwe immigranten de Dorchester verlieten is waarschijnlijk te wijten aan een scheurbuikepidemie, die tussen april en december van dat jaar meer dan 200 doden eiste. Daarbij was de vrouw van William. Wie nog voldoende energie bezat, hield zich bezig met het maken van beschutting tegen de koude en vocht. Schepen keerden terug naar Engeland en ongeveer 100 pilgrims gingen terug mee. Wie bleef zag hen graag vertrekken: er waren te weinig voorraden. Maar de grond rond Roxbury was vruchtbaar en het merendeel van de nieuwkomers was boer. De beginjaren van de nederzetting waren vreselijk hard. |
| William Pynchon (1590-1662) |
Zo schreef één van de kolonisten dat
"brood zo schaars [was], dat de gedachte aan de kruimels aan
mijn 's vaders tafel me zoet toe leek, en wanneer ik bloem en water en
zout samen klaarmaken kon wat kon ik me meer toewensen?"
Vanaf 1633 ging het beter en kwamen er meerdere kolonisten bij. Dit was trouwens de periode, van 1632 tot 1634, dat William schatbewaarder van de Massachusetts Bay Company was. De eerste kolonisten kwamen op eigen kosten en kregen 50 acres toegewezen. Wie 50 pond kon inleggen bij de Massachusetts Bay Company, werd 200 acres toegewezen; voor elke bediende werd dit verhoogd met 50 acres (één hectare was ongeveer 2,5 acre). De belangrijkste inkomsten van William Pynchon kwamen echter uit de bonthandel. Al vlug was hij de belangrijkste bonthandelaar uit de staat; dat hij de taal sprak van lokale indianen kwam hem uitstekend van pas. Uit een in 1634 opgestelde belastinglijst blijkt dat hij ongeveer 9 maal meer belasting betaalde op bont dan de volgende op de lijst. Van deze periode dateert zijn eerste aanvaring met het gezag van de Massachusetts Bay Colony. Het ging over centen: Boston hief immers een belasting van 12 pence per pond beverbont, wanneer het werd aangeleverd door de indianen. William Pynchon deed het daarbij uitstekend: op de lijst van de geïnde belastingen tussen 1632 en 1634 staat hij geboekt voor 20 pond (wat dus 400 pond bevervellen betekent); de volgende op de lijst betaalde 2 pond 4 shilling voor 44 pond beverbont. . . Hij betaalde deze met tegenzin, vandaar deze eerste aanvaring met het General Court van Massachusetts, dat de hoogste politieke en religieuze autoriteit was van staat.
Tussen 1636 en 1640 werd een eerste lijst opgesteld van 'Ye Estates and Persons of the Inhabitants of Rocksbury'. Daarop figureert ook een Thomas Ruggles. In 1634 werd Roxbury zo beschreven:
"Een mijl voorbij de stad [Dorchester] ligt Roxberry, een mooi en aangenaam landelijk stadje, waarvan de bewoners allen erg rijk [sic] zijn. De stad is zo gelegen dat ze rondom bossen en waters heeft, en heeft een heldere en frisse stroom die door de stad loopt, waarin flink wat spieringen zwemmen, hoewel er geen aalscholvers ('alewives') voorkomen, daarom 'Spieringbeek' genoemd wordt. Zo'n vierde mijl naar het noorden is er een andere rivier, de Stony River, waarover een watermolen gebouwd is. Hier is goede grond voor graan, en weide voor vee. Ten westen van de stad staat er een rots ('something rocky'), waarvan de naam Roxberry. De bewoners beschikken over mooie huizen, een overvloed aan vee, graanvelden omzoomd met esdoorns en vruchtbare tuinen. Schepen [=zeeschepen] kunnen er niet aanleggen want de stad is gelegen aan de onderzijde (?) van een ondiepe inham." (uit Wood's 'New England's Prospect, 1634).
De belangrijkste handelaars poogden steeds zover mogelijk het binnenland binnen te dringen om de concurrenten (waaronder ook Nederlanders en Fransen) voor te zijn. Kwam daar nog bij dat de belastingdruk aan de kust een stuk hoger lag dan in het binnenland en dat hij die wenste te ontvluchten. De conclusie lag voor de hand: vertrekken uit Roxbury.
Pynchon zocht nieuwe zakelijke opportuniteiten, maar deed dat erg beredeneerd. Een uitstekende gelegenheid deed zich voor toen een gezelschap van drie indianen op bezoek kwam in de nederzetting met een aantal vellen bont (vooral bever, maar ook vos, otter, wolf en nerts) en vertelden over de rivier Connecticut, waar het goed jagen, vissen en boeren was. Pynchon vertrok op verkenning. En inderdaad, ten noorden van Enfield Falls, net op een plaats waar goederen van grotere schepen in bootjes moesten worden overgeladen, op een kruispunt waar vrijwel iedereen die in de streek actief was, vroeg of laat voorbijkwam vond hij een uitstekende vestigingsplaats. Niet onbelangrijk: ver genoeg het binnenland in om zowel zijn concurrenten voor te blijven, als om zich gedeeltelijk te onttrekken aan de invloed en bemoeizucht van Boston. De naam ervan was Agawam.
In het voorjaar van 1636 (of ten laatste in juli van dat jaar) sloot hij een overeenkomst af met 11 Agawam. Deze sedentaire stam was fel uitgedund ten gevolge van door de immigranten geïmporteerde ziekten; ze bleven met nog een 200 over. Ze verkochten hem grond aan beide zijden van rivier Connecticut voor de prijs van 18 vadem 'wampum' (dekens; één vadem is 1,80 meter), 18 bijlen, 18 jassen en 18 messen. Hij besloot er een magazijn te bouwen. Niet alleen dreef hij handel met de Agawam (hij bezorgde hen voornamelijk ijzerwaren in ruil voor bont), ook de lokale blanke boeren konden bij hem terecht voor verschillende producten.
De oorspronkelijke nederzetting bestond nauwelijks uit acht families. Elke familie kreeg kavels aan beide zijden van de rivier: 10 acres op de oostoever (die onder het gezag bleef van de Massachusetts Bay Colony), en 3 op de westelijke oever, die onder het gezag van Connecticut Colony bleef. Om het akkerland te bereiken, moesten de bewoners de rivier per kano oversteken, een overtocht van zo'n 200 meter.
In principe bleef Agawam aan de ene zijde van de rivier onder het gezag van de Massachusetts Bay Colony had hij immers Boston geen toestemming moeten vragen om zich te kunnen vestigen in Agawam? maar al vlug, in 1637 al, kwam het tot strubbelingen met de Connecticut Colony op wiens grondgebied men zich bevond aan de andere oever: Pynchon werd van monopoliepraktijken beschuldigd en zou de indianen dwingen met hem alleen handel te drijven. De ruzie escaleerde en de Massachusetts Bay Colony besloot haar gezag op te leggen aan beide zijden van de rivier, net op het ogenblik dat de blanke bewoners beslisten zich aan het gezag van de Connecticut Colony te onttrekken. Uiteindelijk kreeg de Massachusetts Bay Colony haar zin. William Pynchon werd tot magistraat benoemd, en te zijner ere werd Agawam (in 1640) omgedoopt tot Springfield, ter ere van Williams woonplaats in Engeland. Hij staat nu op het toppunt van zijn invloed, wat hem hielp in een tweede conflict met de Connecticut Colony, deze keer over tolheffingen op de rivier. Ook hier kreeg Pynchon het gelijk aan zijn kant, overigens met de steun van Massachusetts.
De beslissing om een magistratuur in te stellen, werd genomen op 14 februari 1638. Erin wordt expliciet opgenomen zich onder het gezag van de Massachusetts Bay Colony te plaatsen:
"Wij, Inwoners van Agaam aan de Quinnettecot, nemen in overweging dat de diverse misdrijven die ons mogen overkomen, ons ertoe aanzetten een magistratuur onder ons in te stellen: Door Gods voorzienigheid onder de Jurisdictie van Massachusetts ressorterend, terwijl het te ver is ginds weergeld te eisen in zulke gevallen van rechtspraak, zoals onder ons zou kunnen voorkomen, menen wij dientengevolge, bij algemene instemming, daaraan te voldoen, en kiezen we M. William Pynchon (totdat we verdere instructies van het General Court in de Massachusetts Bay ontvangen) om het ambt van magistraat in onze nederzetting, t.t.z. Agaam uit te oefenen."
Het ambt zou in handen blijven van de familie tot 1702. Vanaf dat ogenblik was William Pynchon niet alleen de economische spil waarrond de streek draaide, hij had ook een groot gedeelte van de lokale politieke macht in handen en was een invloedrijk man tot in Boston wat meteen verklaart waarom hij zeer omzichtig werd aangepakt door de autoriteiten in 1650-1652. Zo groot was de faam van William Pynchon dat de indianen de kolonisten 'mannen van Pynchon' noemden.
Zijn grootste gevecht met het gezag moest nog beginnen: William Pynchon, die al meerdere keren met het gezag in aanvaring was gekomen omwille van zijn zakelijke praktijken tot hiertoe ging het altijd over belastingen en monopolievorming kon het niet laten zich in te laten met theologische disputen. En daaruit volgde een serieus conflict, waarbij hij uiteindelijk het onderspit zou delven.
In 1662 werd Springfield de hoofdplaats van het nieuwe Hampshire County. In 1675 werd de stad bijna volledig vernield door vuur tijdens een aanval van indianen, maar werd ze heropgebouwd.
| [^] | [over] |